11 November 1988: Opening tentoonstelling
door P.W. Frederiks
in Brunssum
|
|
Waar is de plaats van de kunstenaar, waar staat Linnartz in deze tijd, die tegelijk de beste en de slechtste is van alle tijden? Met haar onmetelijke materiele welvaart enerzijds, met haar onmetelijke problemen en dreigingen anderzijds. De visies zullen uiterst verschillend blijken als het gaat om diagnose en therapie. Maar mag men niet beginnen te stellen dat de kunstenaar, boodschapper van schoonheid en harmonie, bijdraagt tot het verwerven van inzicht en attitude in deze wereld, maar zelden tot oplossingen van problemen. De kunstenaar kan er enig vertrouwen in hebben dat over eeuwen onze cultuur gemeten zal worden aan de hand van wat er nog van zijn inventie en vaardigheid is overgebleven, zoals dat met alle culturen is gebeurd. Waarom zou het ons anders gaan dan de Phoeniciers of de Azteken? Op onze tijd zelf is zijn stempel veel minder duidelijk dan de reclamewereld of de veilingprijzen ons willen doen geloven. En een zure cultuurhistoricus zou zich kunnen afvragen of in dat kader de mens van 3988 wel een verantwoord beeld van onze tijd kan krijgen. aan de hand van de metaalplaten van Serra of de monochrome witte schilderingen van Schoonhoven of Malevich om maar wat te noemen. Het eerste dat de mens van 3988 te weten zou moeten komen is het feit dat minstens 90 van de huidige maatschappij geen belangstelling heeft, geen affiniteit heeft met hetgeen als avant-garde, als representatieve kunst van deze tijd doorgaat. Kunst is per definitie elitair, zoals door velen met goede argumenten wordt gesteld, zij het met voorbijgaan van de uitzichtrijkere opinie van Joseph Beyuys dat iedereen kunstenaar is.
|
|
Maar de scheiding tussen kunst en maatschappij, het gebrek aan wezenlijke interesse gaat veel verder. Het ligt, en dat is een opmerkelijke ontdekking, even goed aan de maatschappij als aan de kunst. Het lijkt of de mens getroffen is door een gebrek aan initiatief, aan interesse, voortkomend uit een diep gevoel van zinloosheid. Dat Ik heeft ongetwijfeld te maken met de crisis in de religiositeit. De geesten hebben zich gescheiden. Zij die geloven spreiden zich over een merkwaardig gezelschap van hen die een onpeilbare grond van de dingen weten achter onze kosmos in beweging en daarnaast anderen die op geëxalteerde wijze een sektarisch, emotioneel verlosserbeeld volgen dat niet vrij is van exhibitionistische en publiciteitshongerige trekken. Aan de andere kant zij die geen godsgeloof in welke vorm ook belijden, wier conclusies en opinies niet verder reiken dan de chemie en physica van de waarneembare en meetbare wereld. Zij worden getroost door een ongeëvenaarde materiele welvaart, die voor het eerst in de menselijke geschiedenis een punt heeft bereikt. waarmee sommigen als levensvervulling tevreden blijken te kunnen zijn, ook al reikt dat niet veel verder dan het boodschappenkarretje van Albert Heyn, de TV schakelaar tussen H1 en Superchannel en de reis naar Thailand. Maar zij die daarmee toch niet helemaal tevreden zijn worden geconfronteerd met wat Frankl noemt een "existentiële frustratie", een onvervuld gebleven zijn van het menselijk recht op een zinvol bestaan. Zij ondervinden een diepgaand gevoel van uiteindelijke zinloosheid, een gevoel van leegte. In het voetspoor van Maslow spreekt Frankl van de "Wille zum Sinn" als het primaire menselijke motief en dat gaat verder dan de veronderstelling dat pijn, ellende en leed niet vergeefs geleden worden, maar dat ook geluk, genot, gezondheid, zoals dat tegenwoordig zo velen in zo grote mate ten deel valt, niet voldoende zijn om de behoefte aan een zinvol bestaan te bevredigen, integendeel de leegte van auto, TV en supermarkt steeds meer laat voelen. |
|